Category Archives: Geen categorie

Draagvlak voor beleid

De val van het kabinet: een streep door projecten?

Vandaag viel het kabinet-Rutte III. Waar er normaal bitter politiek conflict aan vooraf gaat, is het overleg over het aftreden van het kabinet ‘in goede harmonie en gezamenlijk’ verlopen. Uniek in de parlementaire geschiedenis. Wat niet uniek is, is dat de val van een kabinet ervoor kan zorgen dat projecten in de ruimtelijke ordening niet doorgaan. Denk bijvoorbeeld aan CO2-opslag. Hoe kan dat? En staat ons dat deze keer ook te wachten?

De impact van een kabinetsval

Na de val van een kabinet stelt de Kamer een lijst op van controversiële onderwerpen. Deze onderwerpen mag het demissionaire kabinet niet behandelen. Besluitvorming wordt uitgesteld tot na de verkiezingen. Bij onderwerpen die een coalitie verdelen, zorgt het controversieel verklaren ervoor dat een demissionair kabinet geen doorbraken meer kan forceren. Normaliter vindt er dan ook een heel politiek spel plaats rondom het controversieel verklaren van onderwerpen.

Ook ruimtelijke projecten kunnen (indirect) controversieel verklaard worden. Een bekend voorbeeld is CO2-opslag onder Barendrecht. Jarenlang was er al maatschappelijk verzet tegen dit project. Nadat het kabinet-Balkenende IV in 2010 viel over Uruzgan, werd het dossier CO2-opslag controversieel verklaard. Na de verkiezingen veranderde het politieke krachtenveld zodanig dat er een meerderheid tegen CO2-opslag ontstond.

In het regeerakkoord van Rutte I werd vervolgens opgenomen dat ondergrondse CO2-opslag alleen mocht “met inachtneming van lokaal draagvlak”. Kort daarna besloot de regering te stoppen met ondergrondse opslag in Barendrecht omdat er geen draagvlak voor was. Einde project. Zelfs nu, 10 jaar later, is CO2-opslag nog steeds een omstreden onderwerp.

Ook deze keer een streep door projecten?

De kans is klein dat er nu projecten in de fysieke leefomgeving controversieel verklaard zullen worden. Eén van de kansmakers zou de openstelling van vliegveld Lelystad kunnen zijn. Al jaren zorgt het vliegveld voor maatschappelijk verzet en ook de coalitie is sterk verdeeld over de kwestie.

Het is onwaarschijnlijk dat de opening van Lelystad Airport nu controversieel verklaard gaat worden. Sinds maart 2020 is het politieke debat en prioriteitenlijstje volledig gedomineerd door de coronacrisis. De controversiële aspecten van het coronabeleid zal de politieke aandacht opeisen. Bovendien is de opening van het vliegveld al uitgesteld tot november 2021, ver na de verkiezingen. Van een doorbraak forceren, is dus al geen sprake meer.

De impact van verkiezingen

De verkiezingen zullen wel het nodige veranderen op ruimtelijke thema’s als wonen, mobiliteit en de energietransitie. Dat blijkt uit onze analyse van de verkiezingsprogramma’s. Zo wordt wonen een heet hangijzer, blijft de energietransitie een hoofdthema met veel aandacht voor lokaal draagvlak, en zal ook het stikstofdebat weer opleven. Over de oplossingsrichting lopen de meningen – uiteraard – flink uiteen.

Opvallend is de eensgezindheid over de noodzaak van meer centrale regie over ruimtelijke ordening. Na een decennium van decentralisering wil een grote meerderheid in de politiek dat er weer een minister komt die beslist over de inrichting van Nederland. Deze roep om meer regie klinkt al langer. Veel projecten van wezenlijk belang verzanden in een patstelling tussen groepen met conflicterende belangen. Denk bijvoorbeeld aan burgers, boeren, gemeenten, milieuorganisaties, bedrijven en projectontwikkelaars. Een recent voorbeeld is datacenters, waar we eerder een blog over schreven. Ook bij datacenters is overheidssturing is nodig om het draagvlak te behouden en landelijke ambities waar te maken.

Wat betekent het voor jou?

Ben je benieuwd welke impact de verkiezingen zullen hebben op jouw thema en welke mogelijkheden tot beïnvloeding er nog zijn? Of werk je aan een controversieel project en ben je benieuwd wat je kan doen om het draagvlak te versterken? Neem dan contact op met Isabelle van Rossum.

Draagvlak voor energietransitie

Wat doet een omgevingsmanager?

Naar aanleiding van de oprichting Dr2 SOM hebben we veel enthousiaste reacties en leuke opdrachten ontvangen. Maar we krijgen soms ook vragen als: wat doet een omgevingsmanager nou precies? We leggen de meest gestelde vragen voor aan onze oprichter en directeur Isabelle van Rossum.

Waarom ben je omgevingsmanager geworden?

Voor mij kwam de beslissing me op dit vakgebied te richten toen ik nog als public affairs adviseur bij Dröge & van Drimmelen werkte. Dit kantoor is vooral gericht op maatschappelijke thema’s als digitalisering en de energietransitie. In ons werk streven we vaak naar ambitieuze beleidsdoelstellingen op deze terreinen. Denk bijvoorbeeld aan het Klimaatakkoord, of de ambitie van Nederland om de digitale koploper van Europa te worden.

Tegelijkertijd begonnen in die periode de gele hesjes-protesten. Er kwam daarbij veel maatschappelijke woede los, over overheidsbeleid en projecten die daaruit volgden. Soms mondde het zelfs uit in gewelddadig protest: we kennen allemaal de beelden van het in brand steken van 5G-masten, of het uitstrooien van asbest bij de locaties van windmolenparken.

Het werd mij duidelijk dat draagvlak essentieel is om maatschappelijke opgaven aan te kunnen. Daar wil ik mij graag voor inzetten. Als omgevingsmanager doe je precies dat: het creëren van draagvlak voor projecten en beleid. Daarom ben ik destijds voor energiebedrijf ENGIE gaan werken om als omgevingsmanager draagvlak te krijgen voor de energietransitie. Ik werkte er met veel plezier aan projecten als waterstof, geothermie, groen gas, windparken en zonneweides.

Waarom heb je Dr2 SOM opgericht, en waarom met Dr2?

Als omgevingsmanager in dienst van een organisatie, zoals ik was bij ENGIE, word je door sommige stakeholders gezien als enkel de belangenbehartiger van die betreffende organisatie. Dat geldt voor zowel overheden als bedrijven. Als externe omgevingsmanager kan je een onafhankelijkere rol innemen. Je treedt als ware op als intermediair tussen de organisatie en de omgeving. Dat komt je geloofwaardigheid en effectiviteit ten goede. Daarnaast worden veel projecten in de leefomgeving ontwikkeld vanuit een consortium, bijvoorbeeld een samenwerking tussen bedrijven en overheden. Een externe omgevingsmanager kan dan namens het consortium optreden, als gedeeld aanspreekpunt voor de omgeving. Die rol past me goed.

Ook zag ik de synergie met de dienstverlening van het Dr2-netwerk. Dröge & van Drimmelen heeft meer dan 20 jaar ervaring op het gebied van public affairs en corporate communicatie. Dat is heel relevant voor omgevingsmanagement. Want ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving staan niet op zichzelf: er bestaat een sterke wisselwerking tussen de politiek, media en maatschappelijk draagvlak. Neem bijvoorbeeld (houtige) biomassa. Eerst vormde het een belangrijk onderdeel vormde van het energiebeleid. Maar binnen korte tijd kwamen er steeds meer negatieve berichten in de media, nam de maatschappelijke weerstand toe, en de politieke steun af. Als gevolg daarvan zijn sommige biomassaprojecten nu zelfs in de koelkast gezet. Door de samenwerking met Dr2 kunnen we op al deze borden tegelijkertijd schaken. Zo kunnen we opdrachtgevers optimaal adviseren en ondersteunen.

Dröge & van Drimmelen heeft ook al een bewezen track record op omgevingsmanagement. Denk bijvoorbeeld aan de begeleiding van de uitbreiding van de A27. Met Dr2 SOM zetten we de volgende stap in de uitbreiding van deze diensten, specifiek gericht op het creëren van draagvlak voor beleid en projecten in de fysieke leefomgeving. Zo is Dr2 SOM geboren. En ik ben heel blij en trots dat ik deze kar mag trekken!

Maar wat versta je eigenlijk onder draagvlak?

Draagvlak is een populaire beleidsterm, maar het is ook een problematisch begrip. Draagvlak wordt vaak gezien als het ‘mee’ krijgen van stakeholders. In de hoop dat er uiteindelijk consensus ontstaat, of dat er sprake is van actieve steun dan wel gebrek aan weerstand. Steeds vaker spreekt men van ‘acceptatie’. Waarschijnlijk om de verwachtingen een beetje te temperen. Maar in de toepassing lijkt acceptatie weinig te verschillen van draagvlak.

Helaas is draagvlak niet iets wat ‘gecreëerd’ wordt aan het begin van een beleidsproces of project. Het is geen stabiel fundament, waarop je vervolgens beleid kan bouwen en projecten kan realiseren. Het is juist constant in beweging, en moet continue opnieuw verdiend moet worden.

Voor mij gaat draagvlak om het goed omgaan met conflicterende belangen. De beschikbare ruimte in Nederland is schaars, en kan maar één keer gebruikt worden. Hierdoor ontstaan al snel conflicterende belangen. Bijvoorbeeld tussen overheden, bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties. Als niet ieders belang serieus wordt meegenomen, ontstaan conflicten. Mensen graven zich in achter hun standpunten, en komen er samen niet meer uit. Dat resulteert geregeld in mislukte projecten, gefaald beleid of wantrouwen en wrok onder bewoners. Dat voorkomen door belangen goed in balans te houden, is wat ik versta onder het creëren van draagvlak.

Wat doet een omgevingsmanager?

Omgevingsmanagers vormen de schakel tussen de organisatie en de omgeving. Ze zijn als het ware de voelsprieten van de organisatie in de samenleving. Zij brengen belangen, issues en ontwikkelingen in kaart en spelen daarop in.

In de praktijk verschilt de rolopvatting- en invulling sterk per organisatie en per project. De TU Delft onderscheid drie typen omgevingsmanagers. Vrij vertaald komt dat neer op de volgende profielen.

  1. Omgevingsmanager als intermediair. De omgevingsmanagers hebben een proactieve houding richting conflict, borgen de lokale belangen, en streven naar win-win oplossingen. Dit komt het dichtst bij de ‘mutual gains approach’: een aanpak die ontwikkeld is door Harvard en gericht is op consensus en het creëren van wederzijdse meerwaarde.
  2. Omgevingsmanager als projectmanager. De hoofdtaak van de omgevingsmanager is soepele projectontwikkeling, ondertussen rekening houdend met omwonenden waarbij je conflicten probeert te voorkomen.
  3. Omgevingsmanager als vergunningenmanager. De omgevingsmanager richt zich uitsluitend op het volgen van wet- en regelgeving. Inspraak van belanghebbenden vindt alleen binnen de formele besluitvorming plaats.

Hoe wij bij Dr2 SOM onze rol invullen, gaat altijd in samenspraak met de opdrachtgever. In de meeste gevallen zit dat tussen 1 en 2 in. Het volgen van de formele procedures is vaak niet meer voldoende om succesvol beleid of projecten uit te kunnen rollen. En met de nieuwe Omgevingswet wordt participatie ook een wettelijke verplichting voor overheden en initiatiefnemers.

Kan een omgevingsmanager conflicten of weerstand voorkomen?

Door een goede strategie kunnen omgevingsmanagers veel onnodige conflicten voorkomen. Dat betekent niet dat iedereen altijd zijn zin krijgt. In sommige situaties zijn er nu eenmaal conflicterende belangen, zeker wanneer het gaat om wezenlijke zaken.

Vaak worden conflicten gezien als iets negatiefs. Conflicten worden uit de weg gegaan door een verlangen om projecten of een beleid zo snel mogelijk te implementeren. Dit werkt vaak averechts, omdat het juist het risico vergroot dat conflicten later escaleren met minder ruimte om nog tot oplossingen te komen. Maar conflict kan heel waardevol zijn. Het is een manier van belanghebbenden om hun betrokkenheid te tonen en hun belangen kenbaar te maken. Het is de kunst om deze conflicten goed te kunnen benutten, en dat is wat een omgevingsmanager doet.

Omgevingsmanagers zorgen er ook voor dat de organisatie niet voor verassingen komt te staan doordat conflicten onverwachts de kop opsteken. Daarmee is stakeholder management ook een belangrijk onderdeel van risicomanagement.

Is participatie dé manier om draagvlak te creëren?

Participatie – het (vroegtijdig) betrekken van stakeholders – wordt vaak gezien als de sleutel tot draagvlak. Participatie wordt maar liefst 80 keer genoemd in het Klimaatakkoord. En de nieuwe Omgevingswet die in 2021 ingaat maakt participatie vanuit die gedachte wettelijk verplicht.

Het betrekken van belanghebbenden is belangrijk, maar het is niet zo dat participatie per definitie leidt tot draagvlak. Participatie werkt soms zelfs averechts. In plaats van het creëren van draagvlak, organiseer je dan in feite je eigen weerstand. Bijvoorbeeld wanneer participatiekanalen alleen door felle tegenstanders worden benut, en de zwijgende meerderheid niet wordt gehoord. Of wanneer er sprake is van schijnparticipatie. Dan lijkt het alsof je mee mag doen en je stem ertoe doet, maar in werkelijkheid besluiten al voorgekookt zijn en plannen al vastliggen. Of wanneer de nadruk vooral ligt op bewoners maar andere stakeholders vergeten worden. Een participatietraject moet daarom altijd onderdeel zijn van een goed doordachte strategie.

Hoe zie je de toekomst van Dr2 SOM?

Heel zonnig! Nederland staat veel ruimtelijke veranderingen te wachten. Naast dat er meer duurzame energie moet worden opgewerkt, moeten er meer woningen worden gebouwd en de digitale en fysieke de infrastructuur worden uitgebreid. En dat is slechts een kleine greep aan ontwikkelingen die ieder om ruimte vragen. Draagvlak bepalend is bepalend voor het slagen of falen van deze ontwikkelingen. Wij hebben de ambitie om op al deze gebieden een bijdrage te leveren. Daar past ook een groeiambitie bij: we verwachten de komende jaren ons team aan omgevingsmanagers sterk uit te breiden.

Draagvlak voor beleid

Het draaiende sentiment rondom datacenters: wat te doen?

Bij beleid en projecten met impact op de fysieke leefomgeving bestaat een sterke wisselwerking tussen lokaal draagvlak en landelijk beleid. Aan de hand van een aantal voorbeelden uit onze dagelijkse praktijk laten we deze wisselwerking zien. En geven we tips mee om ervoor te zorgen dat ze elkaar versterken in plaats van tegenwerken. Deze keer kijken Roeland Coomans en Isabelle van Rossum naar datacenters: hoe zorg je voor draagvlak nu het sentiment draaiende is?

De digitale economie is een van de belangrijkste pijlers voor de internationale concurrentiekracht van Nederland. Nederland wil de ‘dataport van Europa’ worden, en geeft daarom ruim baan aan datacenters. Vanwege de lokale economische impuls en werkgelegenheid, wedijverden gemeenten tot voor kort met elkaar om datacenters naar hun gemeente te halen.

Nu de ruimtelijke impact en de hoeveelheid (groene) stroom die datacenters gebruiken duidelijk worden, begint het sentiment rondom datacenters in sommige regio’s te draaien. Dat begon al in 2019 toen zowel de gemeenten Haarlemmermeer en Amsterdam een tijdelijke stop op datacenters instelden. Afgelopen zomer kwamen zij met nieuw beleid met aanvullende vestigingsvoorwaarden. Dit jaar volgde rumoer rondom de datacenters in de gemeente Hollands Kroon, waar vergelijkbare zorgen opspelen over landschappelijke inpassing, duurzaamheid en het ontbreken van een integraal masterplan over de groei van datacenters.

Van kleine vonk naar steekvlam

Het draaiende sentiment in Noord-Holland betekent niet persé dat elke regio afbrokkelend draagvlak ervaart. Maar zoals we hebben geleerd van andere ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving: een kleine vonk kan snel in een steekvlam veranderen. Denk bijvoorbeeld aan discussies over CO2-opslag en schaliegas: verzet van enkele bewoners uiteindelijk ontaarde in wijziging van landelijk beleid. Een knap staaltje ‘outside lobbying’, waar zelfs de grootste energiebedrijven en de Rijksoverheid niet tegen opgewassen bleken.

Deze voorbeelden leren ons dat landelijke doelstellingen alleen bereikt kunnen worden, als daar ook op lokaal niveau maatschappelijke steun voor is. Hetzelfde geldt voor datacenters. Maar hoe zorg je nou voor dat maatschappelijk draagvlak? Wij geven in ieder geval de volgende twee tips mee:

    1. Zorg voor ‘overheidssturing nieuwe stijl’ voor datacenters
    2. Geef het maatschappelijke debat een plek in besluitvorming

Overheidssturing nieuwe stijl

Datacenters kenmerken zich door een nationaal – of zelfs internationaal – belang met bovenlokale effecten, maar besluiten worden voor een groot deel op lokaal niveau genomen. Het kabinet heeft namelijk gekozen voor een ‘regionaal in te vullen datacenterstrategie’. De gedachte achter dit beleid is dat top-down regie leidt tot weerstand. Daarom kiest het Rijk er nu voor om beslissingen op een zo laag niveau te nemen. Onder het mom: ‘centraal wat moet, lokaal wat kan’. Het idee is daarbij dat lokale overheden hun omgeving beter kennen, en zo kunnen zorgen voor draagvlak – of in ieder geval acceptatie.

Het decentraliseren van besluitvorming voor ruimtelijke opgaven met een nationaal belang is niet uniek. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de opwek van duurzame energie. Alleen daarvoor zijn wél besluitvormende processen uitgewerkt: de Regionale Energie Strategieën (RES). Hiervoor werken lagere overheden samen met netbeheerders. Het Rijk werkt actief mee vanuit de nationale belangen en participatie van belanghebbenden is geborgd. Een vergelijkbaar proces is ingesteld voor de industriële clusters. Datacenters raken aan beide opgaven, maar er ontbreekt een dergelijk proces.

Datacenters vallen dus tussen wal en schip, terwijl het juist een voorbeeld is van een complexe opgave waarvoor een dergelijke vorm van ‘overheidssturing nieuwe stijl’ nodig is. Dat blijkt ook uit het voorbeeld van Zeewolde in Flevoland. Volgens het NRC kwam de komst van een hyperscale datacenter als een verrassing voor de netbeheerders. De wethouder van Zeewolde wist juist niet dat de netbeheerders ook al plannen aan het maken waren voor ‘reguliere’ datacentra in de polder, omdat Amsterdam ‘vol’ is. Coördinatie op het vestigingsbeleid van datacenters is nodig om dergelijke verassingen te komen en samenhang met andere opgaven en belangen niet uit het oog te verliezen.

Het maatschappelijke debat in besluitvorming

Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving bestaat tevens een sterke wisselwerking tussen formele proces en het maatschappelijk debat. Het formele pad bevat vastgelegde juridische procedures, zoals vergunningenprocedures. Het maatschappelijke debat volgt een meer informeel en ongestructureerd pad, en loopt soms achter op de formele besluitvorming. Als deze paden niet op elkaar aansluiten, kan het leiden tot zogenaamde ‘overflow’. “Het formele kader spoelt dan spreekwoordelijk over omdat de nieuwe zorgen of vragen niet meer in het bestaande kader passen”, aldus de TU Delft.

Als dat gebeurt, vinden deze zorgen vaak hun weg via escalatie in de media of de oprichting van actiegroepen. Dat is recent bijvoorbeeld gebeurd in Hollands Kroon. Daar bestaan zorgen dat aspecten als landschappelijke inpassing en duurzaamheid onvoldoende in het bestaande kader – de Omgevingsvisie uit 2016 – geborgd zijn. Met de oprichting van de actiegroepen en (landelijke) media-aandacht als gevolg.

Overheden en bedrijven doen er daarom goed aan om naast het doorlopen van formele procedures, vroegtijdig met de omgeving in gesprek te gaan én te blijven. Zo kunnen zij zorgen voor een gedegen kennisniveau. En kunnen zij belangen, zorgen en wensen tijdig signaleren en een plek geven in besluitvorming. Nu is het vooral maatschappelijke druk die hen daartoe dwingt, maar vanaf 2022 wordt het onder de nieuwe Omgevingswet in Nederland zelfs verplicht dat zij de omgeving laten participeren. Daarbij is samenwerking tussen overheden en de initiatiefnemer essentieel. Beide hebben immers hun verantwoordelijkheid en rol in het betrekken van belanghebbenden. Het opstellen van een gezamenlijke strategie en een onafhankelijke procesmanager dragen daaraan bij.

Schakelen op meerdere niveaus

Regie op de besluitvormende processen waarbij het maatschappelijk debat een plek krijgt, is noodzakelijk om te komen tot gedragen besluiten waarin ieders belangen zijn meegenomen. Vanuit het begrip voor de diverse en soms conflicterende belangen kan gewerkt worden aan oplossingen. Alleen dan kan Nederland haar positie als koploper in de digitale economie met steun van de samenleving verwezenlijken.

Roeland Coomans is directeur bij het public affairs kantoor Dröge & van Drimmelen en is gespecialiseerd in tech.

Isabelle van Rossum is directeur bij Dr2 Strategisch Omgevingsmanagement en is gespecialiseerd in het creëren van maatschappelijk draagvlak.

Meer weten? Neem contact op met Isabelle van Rossum.